| Nascholing |
|
In het gehele veld van de gezondheidszorg in Nederland wordt veel gesproken over de scholing van beroepsbeoefenaren. Dit heeft te maken met de reeds jaren lopende ontwikkelingen op het gebied van het kwaliteitsbeleid in de gezondheidszorg binnen de Nationale Raad voor de Volksgezondheid.
Dit beleid heeft invloed op de huidige beroepsbeoefenaren, zij dienen deze ontwikkelingen te volgen en "moeten bij blijven". Ook de beroepsbeoefenaar moet gaan voldoen aan de eisen die gesteld worden in de Wet op het Hoger Onderwijs en Wetenschappelijk Onderzoek (WHW). Nascholing wordt na een beroepsopleiding gegeven om het vroeger geleerde op te halen c.q. te verdiepen. Bijscholing betekent aanvullende opleiding of vorming voor beroepsbeoefenaren. Alle scholing die vanaf medio 2010 in aanmerking komt voor bij- en nascholing, dient geaccrediteerd te zijn door onafhankelijke instituten zoals de KTNO, SNRO, CPION, FONG en NVAO. Bij elk voorstel voor bij- en nascholing is het belangrijk, dat duidelijk wordt gemaakt, dat "scholing" geen doel op zich is, maar dat het gaat om wat de therapeut er van mee kan nemen en het dus kan toepassen voor een betere praktijkvoering in de breedste zin des woords. In alle werkvormen kan bij- en nascholing gevolgd worden. Leden dienen jaarlijks aan de ledenadministratie door te geven hoeveel studiepunten zij dat jaar verzameld hebben op het daartoe bestemde formulier. Per 5 jaar dienen er 75 studiepunten verzameld te worden, dat wil zeggen 75 dagdelen. Deze moeten verdeeld zijn over: |